13 oktober 2011
Tien jaar was ik. Aan de hand van mijn moeder zette ik de eerste stappen in de stad die door Wim Sonneveld – ja ja, we luisterden thuis graag naar de dubbel CD – bejubeld werd als de mooiste stad in ons land. Mokum aan de Amstel en het IJ. Met een eigenwijze Boefje-pet op mijn hoofd keek ik vol bewondering de wijde wereld in. Ik was op slag verliefd op de levendigheid, het karakter, de architectuur, de sfeer, de chaos van mensen met tig culturele achtergronden van onze hoofdstad. Het leek mij de ultieme plek om te wonen als ik later groot was, want wonen in Amsterdam…dan was je pas cool!

Inmiddels zijn we achttien jaar verder en kwam ik in de loop der jaren steeds een stapje dichterbij mijn doel. Van Heerlen naar Arnhem, een kleine zijstap naar Westervoort die ik liever vergeet, maar vervolgens de Randstad in. Ja, Krommenie is ook Randstad. De Zaanstreek ligt praktisch tegen Amsterdam aan en het is slechts een kwestie van tijd (en nog meer bebouwing) tot Zaandam en Amsterdam-Noord met elkaar versmolten zijn. Maar ja, het stadsmeisje in mij wilde zich niet zonder slag of stoot conformeren aan de dorpse mentaliteit, want ook al ben je in amper een kwartier in de echte stad, lijkt het soms wel een wereld van verschil. Zelfs Arnhem is nog stadser dan het Zaanse. Mopperdemopper, schop tegen een steen, trap tegen een paal. “Al dat boerse gedoe hier, rampzaaaaaaaalig! Ik heb niet eens een fatsoenlijke schoenenwinkel in de buurt!” Recalcitrant als ik kan zijn, vond ik het een verschrikking om niet binnen tien minuten in een echt stadscentrum te kunnen zijn (goed voor de portemonnee trouwens).

Groen en geel
Je zou dus denken dat mijn big move to the city in Maart mij vervulden met warmte, vreugde, een dream come true. En wat voor een droom. Ik ging niet zomaar in Amsterdam wonen, nee, ik betrok een appartement in het hartje van de Jordaan! Dat daar wat haken en ogen aanzaten, nam ik voor lief. So what dat mijn huisgenoot dwars door mijn kamer moest? Die noodoplossing zouden we wel overleven. Toch?!

Groen en geel zag ik binnen enkele weken. Wat haatte ik Amsterdam, met al die kuttoeristen, al die kutauto´s, dat kutlawaai en die eeuwige kutchaos. Wat verlangde ik naar de rust in mijn inmiddels veilige, vertrouwde dorpje in de Zaanstreek. Dagelijks stapte ik weer met een donkere blik in die stomme trein om Zaandam na een stomme werkdag achter me te laten en naar mijn stomme huis in het stomme Amsterdam te gaan. Kutstad. Mopperdemopper, schop tegen een steen, trap tegen een paal. “Het kan me allemaal gestolen worden!!” En dan nog bozer worden op mezelf, omdat ik niet gewoon kon genieten van het feit dat ik woonde in de stad, waarvan ik altijd ambieerde om er te komen wonen.

Het was natuurlijk niet eerlijk om Mokum de schuld te geven van alles, want in feit kwamen mijn gemopper, geschop en getrap voort uit iets geheel anders. De oplossing is gevonden, de breuk is gelijmd, de huisgenoot is verdwenen. Alleen kreeg ik er een te hoge huur terug. Verhuizing 14 staat voor de deur, en o wat ben ik blij dat ik Amsterdam voorlopig nog niet uit hoef!! Ik hou van deze stad. Met al die gezellige toeristen, de rumoerigheid, het karakter, de architectuur. Ja, mijn 28-jarige hartje is voor altijd verpand aan de mooiste stad in ons land.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Fill out this field
Fill out this field
Geef een geldig e-mailadres op.
Je moet de voorwaarden accepteren voordat je het bericht kunt verzenden

Menu