Adembenemend mooi, dat uitzicht over de “Kinabatangan River”, de grootste rivier in de Maleisische deelstaat Sabah, voormalig onderdeel van Borneo. Terwijl een klein speedbootje mijn lief, mij en een groepje andere reizigers naar het kamp in de jungle vaart, staar ik met grote ogen naar de prachtige natuur. Het is alsof ik in een live aflevering van National Geographic ben beland: alleen maar oerwoud aan beide kanten van mijn zicht. Een nogal nonchalant geklede Maleisiër – een van de stafleden neem ik aan – begint plots te vertellen over de omgeving. De blik die ik in eerste instantie afdeed als onverschillig verandert snel in een betrokken en passionele houding als hij een stortvloed aan kennis over ons uitspuwt.

Palmolie
De snelheid van de boot zorgt dat de meeste geluiden in de wind verdwijnen, maar ik kan nog net uit zijn woorden opmaken dat het oeroude bos waar ik zo van onder de indruk ben, niet meer is dan een misleidende strook langs de rivier. Achter deze smalle strook is de ongerepte natuur niet meer te bekennen. Gekapt. Waarvoor? Palmbomen. En dan niet om lekkere kokosnoten voor de liefhebber van bounty’s te kweken. Nee, palmolie. En dat zit in een heleboel, kan ik je zeggen. Van shampoo tot margarine, van koekjes tot biodiesel.

Triest
Dat er tropisch regenwoud wordt gekapt om ons inhalige Westerlingen tevreden te stellen, is niets nieuws. Maar in dat bootje aanschouw ik pas met eigen ogen hoe triest de situatie is. Kort na het verhaal van Lan, die later onze kamp manager blijkt te zijn, zien we de bossen aan onze linkerzijde aanzienlijk uitdunnen. Verdwijnen zelfs. Hele plantages duiken er op als we de bocht omvaren. Duizenden palmbomen, keurig op een rijtje. En ook al wordt de jungle in aan de rechteroever inmiddels beschermd tegen de kapgrage hand van kapitalistische profiteurs, is de omvang van het oerbos miniem. Ontegenzeggelijk een trieste situatie.

Mascara
Eenmaal thuis aangekomen van mijn onvergetelijke reis lees ik in de Panda (“Wat koopt u?” Maart 2011, pp. 16-17), het blad van het Wereld Natuur Fonds, dat Maleisië samen met Indonesië maar liefst 90 procent van alle palmolie levert die ons kleine landje importeert. En daarmee dragen we bij aan de ontbossing van deze landen en aan het uitsterven van de oerang-oetan, olifant en neushoorn. Wij ja. Wij allemaal. Want de meesten van ons – mijzelf incluis – letten bij de aanschaf van een mascara of afwasmiddel niet op de oorsprong van de palmolie.

Eco-palmolie
Kunnen wij dat beter? Ja! Er is steeds meer aandacht voor de productie van duurzame palmolie. Er zijn inmiddels meerdere Nederlandse bedrijven die deze productie ondersteunen. We kennen allemaal het EKO keurmerk, Demeter en uiteraard ook Fair Trade. Bovendien leveren veel natuurwinkels producten die worden gemaakt met palmolie die gecertificeerd is door de Roundtable Sustainable Palm Oil. Het logo mag sinds begin 2011 ook daadwerkelijk gebruikt worden op de labels, zo meldt de website milieucentraal.

Voorbeeld?
Wie doen het al goed? Volgens een Europees onderzoeksrapport naar de inkoop van duurzame palmolie van het WNF uit 2009 neemt Unilever een prominente vijfde plaats in op de lijst, en is daarmee de eerste Nederlandse producent in het rijtje. Ahold scoort nog redelijk, maar inkooporganisatie Superunie doet het volgens het rapport slecht, ware het niet dat C1000 nog belabberder uit de test komt.

Ik hoop stiekem dat dit rapport de inkopers van deze grote retailers een wake up call heeft gegeven en dat zij twee jaar na dato hun beleid hebben aangepast. Mijn bewustzijn is inmiddels vergroot. Het mooiste, meest indrukwekkende van mijn rondreis door Maleisië was het zien van de dieren in het wild; de oerang-oetang moeder met haar baby op haar rug, de gibbon apen, makaki’s, de exotische vogels. Help mee om deze prachtige dieren te beschermen!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Fill out this field
Fill out this field
Geef een geldig e-mailadres op.
Je moet de voorwaarden accepteren voordat je het bericht kunt verzenden

Menu