De Spits. Een van de gratis kranten die ik met grote regelmaat onderweg in de trein lees. Het was de laatste donderdag in december 2011 en ik had de editie van die dag in mijn handen, terwijl het spoor met grote snelheid onder mij door racete. Nadat ik de bladzijde omsloeg, viel mijn oog onmiddellijk op een grote kop op de linkerpagina: Hypotheekaftrek bedreigd kabinet.

Verontwaardigd haalde ik mijn Blackberry (ja, die had ik toen nog) uit mijn tas, maakte snel een foto en kon het niet laten om deze snapshot via diverse sociale media te verspreiden. Met effect, want twitterend Nederland viel mij bij door deze tweet als een olievlek(je) door te sturen. Tsja.

Toch is het een feit dat die werkwoordsvervoegingen knap lastig zijn. Ook een professionele journalist kan zich dus nog wel eens vergissen. Blijkbaar kan de hoofdredacteur van de krant dat ook. Noem het slordigheid, tijdgebrek, onprofessioneel, of simpelweg menselijk.


Opfrissertje: de regels

Maar hoe zit dat nou, met die ‘d-tjes’ en ‘dt-tjes’? Vind jij dat ook zo lastig? Je bent niet alleen, want ook al heb je deze stof allemaal op de basisschool gehad, toch zijn de regels en trucs niet bij iedereen ingebakken. Even een opfrissertje dan maar? Hieronder zet ik 8 simpele regels en trucs op een rij. Doe er je voordeel mee, want eigenlijk is spelling net als abstracte wetenschap: gewoon de regels leren.

  1. Gebruik de ik-vorm als basis voor het bepalen van de andere werkwoordsvormen in de tegenwoordige tijd. Ik beantwoord de telefoon.
  2. Bijna alle andere personen enkelvoud in de tegenwoordige tijd zijn: ik-vorm +t. Jij/hij/zij/u beantwoordt de telefoon.
  3. Meervoud is dan nog makkelijker: ik-vorm +en. Wij beantwoorden.
  4. De uitzondering op de regel komt als je of jij achter het werkwoord staat. ‘Je’ is dan het onderwerp en moet vervangbaar zijn door jij. Dan hanteer je de ik-vorm. Beantwoord jij de telefoon even?
    Als het een bezittelijk voornaamwoord is, gebruik je de ik-vorm +t. ‘Je’ is dan niet vervangbaar door ‘jij’, alleen door ‘jouw’. Beantwoordt je/jouw moeder de telefoon nooit na negen uur?
  5. Zijn ‘worden’ en ‘vinden’ extra lastig voor je? Vul dan een ander werkwoord in en je hoort wat de vervoeging is. Lopen, smurfen of koken bijvoorbeeld.
  6. De verleden tijd is lastiger. Denk hierbij aan ’t Ex-fokschaap. Alle medeklinkers zijn hier relevant. Als de stam van het werkwoord (= hele werkwoord – en) eindigt op een letter die hierin voorkomt, gebruik je een ‘t’. Alle andere gevallen: een ‘d’.
  7. Regels bij verleden tijd: enkelvoud is ik-vorm + de/te. Meervoud krijgt een extra ‘n’ erbij. Ik beantwoordde de telefoon. Wij beantwoordden de telefoon.
  8. Weet je niet zeker of het voltooid deelwoord met een ‘d’ of een ‘t’ wordt geschreven? Maak het langer: de beantwoorde telefoon. Je hoort hier een ‘d’, dus het kan niet missen.

Tsja, dan zijn er nog van die uitzonderingen op de regel. Toegegeven, die moet je gewoon uit je hoofd leren. Lopen, liep, gelopen bijvoorbeeld. Brengen, brachten, gebracht. Gelukkig hoef je hier vaak niet bij na te denken en gaat het vanzelf.

6 reacties. Reactie plaatsen

  • Hallo Michelle,

    handig die schrijftips op een rijtje. De meeste weet ik dan wel, maar het gaat bij mij ook fout. Met name als ik niet zeker ben of het ww. een voltooid deelwoord is of het hoofdwerkwoord, omdat we die in onze snelle schrijfstijl tegenwoordig geneigd zijn (kijk daar heb je zo’n lastige geneigd!) weg te laten. Heb je daar nog een regeltje voor?

    Beantwoorden
  • Goede vraag Karin! Om te bepalen of een werkwoord een voltooid deelwoord is of niet, zul je het zogenaamde ‘werkwoordelijke gezegde’ uit de zin moeten filteren. In de zin: “Gisteravond heb ik met de hond in het park gewandeld.” is het gezegde: heb gewandeld. Heb is de persoonsvorm, gewandeld het voltooid deelwoord. De persoonsvorm vind je het makkelijkst door de tijd van de zin te veranderen. “Ik had vorige week nog met de hond gewandeld.” De persoonsvorm verandert; die is ineens ‘had’ geworden. Het voltooid deelwoord herken je vaak aan hoe ‘t woord begint: met ge-.
    Dit klinkt logisch, maar kijk eens naar de zin die ik net schreef: “De persoonsvorm verandert.” ‘Verandert’ is de persoonsvorm. Het werkwoord ‘veranderen’ begint als voltooid deelwoord niet met ‘ge’, maar gewoon met ‘ver’ (veranderd). Had ik geschreven “De persoonsvorm is veranderd” dan was ‘is’ de persoonsvorm, en ‘veranderd’ het voltooid deelwoord. Wederom kan ik namelijk de tijd veranderen naar “De persoonsvorm was veranderd”.
    Dit is een trucje dat je doorgaans overal kunt toepassen. Het is echt een kwestie van zinnen ontleden: woordsoorten leren kennen.

    Succes!

    Beantwoorden
  • Veronica Nieman
    8 augustus 2012 11:58

    Heb je voor mij die tien blogtips?
    Hartelijk dank! Jou moeder mij altijd bloed afnemen. vanuit ziekenhuis Sittard Een leuk mens.

    Nog bedankt Veronica

    Beantwoorden
  • Veronica Nieman
    8 augustus 2012 17:30

    Nog even dit. Sloop er ook nog een foutje in mijn tekst. Sorry!
    Er zijn veel mooie modezaakjes voor je moeder in den Bosch.(Veel bonte kleuren.)
    Veel succes met je werk Michelle. Hier laat ik het bij. Groetjes van Veronica uit Geleen.

    Beantwoorden
  • Ik probeerde mij zo juist in te schrijven voor de 10 blogtips maar kreeg een fout melding.
    Zou u mij misschien de 10 blog tips kunnen mailen?
    want die 8 regels vind ik zeer helpzaam en kan ik goed gebruiken om mijn Spelling vaardigheden te verbeteren en kan ik het goed gebruiken voor mijn spelling toets.

    bvd!
    groetjes
    student!

    Beantwoorden
  • […] door te dringen. Het is dus veel meer dan het toepassen van de technische regels der grammatica, spelling, interpunctie en structuur. Lukt het je om de vijf E-lementen door te voeren in je tekst? Dan heb […]

    Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Fill out this field
Fill out this field
Geef een geldig e-mailadres op.
Je moet de voorwaarden accepteren voordat je het bericht kunt verzenden

Menu